Groeit op in het toen nog landelijke Pajottenland aan
de rand van Brussel. Hij studeert in Gent en richt er
het Gents Universitair Straattheater en het jongerentheater Stekelbees
op. Hij leidt Stekelbees vijf jaar, bouwt het gezelschap uit tot een
gestructureerd gesubsidieerd theater en maakt 3 lp’s die nogal wat
stof deden opwaaien. In 1976 studeert hij af als germanist maar
verkiest te spelen bij Het Trojaanse Paard in Antwerpen en met Vuile
Mong en de Vieze Gasten, een theatercircus met livemuziek.
In 1982 realiseeert hij zijn eerste solotheaterproductie: Omer De
Merde. Hij schrijft en speelt Wesp in Oor, in een regie van de
Franstalige Brusselaar Didier de Neck. Dit is het begin van een
boeiende zoektocht naar een eigen verteltheaterstijl die resulteert in:
De tafelschuimer, De eerste Held en De Roos van Cerzeto,
verteltheaterproducties in combinatie met levende muziek.
De groeiende aandacht voor muziek resulteert in Schumann 360°, in
opdracht van deSingel en gebaseerd op Kinderszenen van Robert
Schumann. In 1993 bewerkt en speelt Deweerdt Don Quijote voor
Stella Den Haag (een voorstelling die de Signaalprijs kreeg). In 1994
volgt De Dag dat de Hemel Neerstortte, een opdracht van De
Werf/Brugge en Greenpeace.
Deweerdt werkt samen met het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen en presenteert met Dirk Brossé concerten om kinderen kennis te laten maken met klassieke muziek. Hij vertelt ook Peter en De Wolf met de Filharmonie o.l.v. Muhai Tang. Voor Brossé schrijft hij het verhaal Artesia, de basis van de eerste symfonie van de componist. Daarna volgen Rabelais en bewerkingen van onder meer Le roi se meurt (1995) De baron van Münchhausen (1997), Carmen (1998) en De telduivel en Valsch haar (2000), i.s.m. Peter De Graef. Voor het Publiekstheater/Gent bewerkte en regisseerde hij Don Quichot (2001) en Het gezin Van Paemel (2001). Voor Malpertuis/Tielt De vrucht van hun Arbeid, op basis van de trilogie van John Berger.
Sedert 2000 is Deweerdt verbonden als theaterdocent aan het KASK te Gent. In 1999 maakt hij de documentaire Jacques Brel op de Marquisen over de laatste levensjaren van de legendarische zanger. Tussendoor schrijft hij Vreemd Vuur (jeugdliteratuur), Goed geschapen (verhalen), Boekje voor wie soms ‘s nachts niet slapen kan (poëzie), Partituur van een Gentsch rebel (biografie van de Gentse volkszanger Walter De Buck) en Ontvlambare vingers (een handleiding om te verdwalen).
Een grote sociale betrokkenheid bracht hem er toe te werken met jongeren uit de gesloten instellingen voor Bijzondere Jeugdzorg in Ruislede en Beernem. Met hen maakte hij Tegentjok, Seaking en Hangaar. Voor de stad Gent zette hij een grootschalig project op met sociaal minderbedeelden (Totier en niet verder). In Mombasa (Kenia) leidde hij een theaterworkshop met jongeren rond het thema ‘aids’.